Interview met Syrische cursist Delgash Hussein

Published on
vr, 23/10/2015 - 16:13

Wie? Delgash Hussein
Komt uit: Syrië
Leeftijd: 29
In België sinds: 2012
Inburgeringstraject bij bon: 2013

“Ik heb drie broers en vijf zussen. Twee zussen zijn nog bij mijn ouders in Syrië. Zelf ben ik drie jaar geleden gevlucht. Eén broer en zus zijn nu in Libanon. Eén zus is met haar man en familie in Duitsland. Twee van mijn broers zijn in Turkije. Een andere zus is nu onderweg. In Syrië is het al vier jaar oorlog. Niemand van ons zou Syrië verlaten hebben als er geen oorlog was. Zonder oorlog is Damascus een aangename stad. Het is niet zoals België. Hier ga je bij zonnig weer buiten met een short, een paraplu en een sjaal. In Damascus is het altijd zomer, wij hadden er een goed leven.”

Hoe zag je leven in Syrië er dan uit?
“Ik ben geboren in Koerdisch Syrië maar ik heb 17 jaar in Damascus gewoond. Ik had daar een goed draaiende kapperszaak. Ik werkte hard maar verdiende goed. Ik woonde bij mijn ouders en wij aten altijd samen. Voor ik met de kapperszaak begon werkte ik als kleermaker. Ik ben van mijn zeven tot mijn dertien jaar naar school gegaan, in het Arabisch. Toen ik hier kwam moest ik het Romeinse alfabet leren. Ik volgde eerst een inburgeringscursus en daarna leerde ik Nederlands met Brusselleer.”

Waar ben je nu mee bezig?
“Ik heb een basisopleiding hulpkok van vier maanden gevolgd bij VDAB en ik start nu met de vervolgmodule. Ik wil graag in een grootkeuken werken.”

Je leert dus “Belgisch” koken? Vind je het Belgische eten zelf lekker?
“In het begin vond ik het vreemd om Belgisch te koken. Ik vind veel gerechten lekker, zoals puree, tomatensoep, vis en visfumé, wafels en frietjes natuurlijk. Er zijn ook een paar dingen die ik nog altijd niet lekker vind, spruitjes en witloof en prei bijvoorbeeld. Ik moet veel nieuwe ingrediënten leren kennen. Wat helpt is een foto-woordenboekje waar alle ingrediënten en kookinstrumenten in afgebeeld staan, met de Nederlandse namen erbij. Misschien zal ik ooit een Syrisch restaurant beginnen, maar daar heb je geld voor nodig. Ik wil eerst werken en geld verdienen om mijn familie te kunnen helpen.”

Heb je regelmatig contact met je ouders?
“Ik heb hier een smartphone gekocht om met hen te kunnen telefoneren. Maar het is niet gemakkelijk. Door de vele aanslagen en bombardementen zijn er altijd elektriciteitspannes. Ze hebben maar een paar uur per dag elektriciteit. Ik ben niet echt bang dat hen iets overkomt. Ze wonen nu in een dorp en in het dorp zelf zijn ze veilig. De oorlog en het geweld situeren zich daarbuiten. Hun bewegingsvrijheid is klein maar ik ben niet bang voor hun leven.”

Hoe ben jij in België terechtgekomen?
“Het was een lange reis. Ik had een paspoort, ik kon gewoon met de auto naar Turkije. Toen ik eenmaal de grens over was, nam ik de bus naar Istanbul. Dat was gemakkelijk, ik moest gewoon het busticket betalen. Van Istanbul ging ik met mensensmokkelaars naar Tanzania en na een tijd naar Kenia. Van Kenia kwam ik naar België. Een vreemd parcours maar zo was het.”

Zou je willen dat je ouders ook naar België komen?
“Eigenlijk niet. Ik zou graag dicht bij mijn ouders wonen en voor hen kunnen zorgen, maar zij zijn te oud om nu naar België te komen. Hun leven is daar. Het doet pijn dat de mooie steden kapot zijn. Het doet pijn als je denkt aan de kinderen die sterven door messteken. Maar ik hoop dat ik kan teruggaan, dat het leven in Syrië terug mooi wordt. Alle Syrische mensen zijn goed, het is de oorlog die lelijk is.”

Met dank aan Marianne Buyck